“Sidjo, mana?!” Waar zit die vent?! Altijd hetzelfde, als je hem nodig hebt, dan is ie nergens te vinden. Nijdig stampt Verdonk de stenen trappen naar de veranda op en ontdoet zich dan maar zelf van zijn witte toetoep jas. Verdomde onhandig, met al die kleine knoopjes. Het was een lange, broeierige dag geweest op het kantoor van de handelsfirma in Magetan. De verstikkende hitte lag als een kleverige deken over de stad en binnen de witte muren van het kantoor was het nauwelijks uit te houden. Verdonk gooit zijn jas op de grond en wrijft vermoeid over zijn voorhoofd. Als er nu één ding is waar hij geen zin in heeft, dan is het wel om zelf nog iets te moeten doen.
“Sidjoooo!”
“Jaaaa tuan, meneer!” Knipbuigend komt zijn bediende hijgend aangelopen, terwijl hij een bloederige, zo te zien dode kip met zich meedraagt. Dode kip? Met uitpuilende ogen van boosheid brult Verdonk de man toe het beest van de veranda te verwijderen.
“Maar tuan, u moet dit zien!” Terwijl die akelige Sidjo het beest warempel onder zijn neus duwt, valt hem iets op. Het dier, voorheen wit, is niet alleen met bloed overdekt, maar heeft een merkwaardige zwarte huid – het lijkt wel verrot vlees. Vreemd, want het beest is nog niet zo heel lang dood, aan de nek te zien, waar het bloed uitdrupt en een klef, rood spoor op de houten planken achterlaat.
Een misselijkmakende walm dringt zijn neusgaten in. Een gevoel van onrust bekruipt hem. Een donkere schaduw kruipt naar de veranda en strekt zwijgend zijn vieszwarte vingers uit naar het tweetal. De stilte op de veranda is bijna voelbaar. Alleen de krekels in de hoge waringin naast het erf blijven stug doorzingen, alsof ze niets hebben gezien, gehoord of gevoeld. Met een ongeduldig handgebaar stuurt Verdonk Sidjo en de rottende kip weg en haast zich naar zijn kamer, terwijl een akelig gevoel zich meester maakt van zijn maag, zijn ziel en zijn hele wezen.
Bam. Met een klap smijt hij de deur achter zich dicht. “Eigen schuld, Cees,” fluistert hij, meer om zijn ongerustheid tot bedaren te brengen, dan dat het echt nodig is. Want hij heeft nu niets aan de stilte in de kamer, die slechts wordt verbroken door de tikkende staart van de wandklok. Tik-tok. “Waarom moest je zo nodig het ritueel aanpassen?!” Verdonk plaatst zijn stoel naar achter, gaat zitten en trekt het laatje van de mahoniehouten secretaire open. Een verschrikte groen-grijze hagedis schiet weg, tegen de muur op. Tik-tok. Uit het stapeltje pennen, kiest hij de rode. “Rood, niet geel dit keer,” fluistert hij. Tik-tok. Hij legt de pen in een hoek van 45 graden met de punt van de tafel. Tik, met zijn nagel op de tafel. Laatje twee gaat nu open en weer dicht. Tok. Lade drie klemt een beetje: open, en weer dicht. Tik, met zijn nagel op de tafel en terwijl zijn hand van de tafel glijdt, pakt hij de twee tafelpoten dicht en fluistert met zijn ogen dicht: “Satu, dua, tiga, één, twee, drie.” Tok.
Zo. Alles zou weer goed moeten komen. Toch? Of had hij de pennenveer nu recht moeten neerleggen? Hij weet het niet meer. Met een zucht staat hij op en zonder zich in zijn pyjama te hijsen gaat hij in bed liggen, waar de slaap niet wil komen. De staart van de wandklok hangt stil. In het duister van de kamer ziet Verdonk niet dat die in een vreemde hoek hangt. Buiten slaat een hond aan en blijft urenlang angstig blaffen, tot een schorre haan het van hem overneemt en de volgende dag aankondigt. Op de veranda in het kille ochtendlicht ligt een dode aap. Zijn huid is zwart en stinkt.

bron: Creatie van ChatGPT (AI in opdracht)






