Vier jaar geleden schreef ik over een tennismatch waar ik me met mijn brakke knietje doorheen worstelde. We (vier dames op leeftijd; ik was veruit de jongste) speelden dubbel. Een van de anderen was een vrouw van 81. Ik vond haar een prachtmens, een fenomeen. Een vleesgeworden fitgirl op leeftijd. 80plus, maar met de souplesse (en het figuur) van een veertigjarige en het fanatisme van een puber met prestatiedrang.
Ikzelf kwam destijds als een oud wijf de baan op gehobbeld met mijn kapotte in een brace, afgeplakt als een kunstproject en met een rug die bij elke opslag kraakte als een houten trap. Om de twee games moest ik even zitten, omdat ik simpelweg niet zo lang kon staan vanwege de pijn in mijn onderrug. Maar ach, ik stónd er wel. En ik vond mezelf best ook nog best oké. Tot zij het veld op stormde en mijn zelfvertrouwen in mootjes hakte. Met haar backhand.
Inmiddels is alles anders. Die geweldige vrouw – mijn levende voorbeeld voor gracieus en sportief ouder worden – is er niet meer. Een paar jaar geleden nog overal op tijd bij, nu al te laat voor alles. Overleden. Kanker. En het ging heel snel; niks fair play. Gewoon niet te bevatten.
Enkel mijn bewondering voor haar bleef achter. Maar: óók haar dochter, die destijds ook al meespeelde en waarmee ik nu zelf zo nu en dan nog steeds een potje tennis speel. Een jaar of tien ouder dan ik (denk ik). En – hoe is het mogelijk – nóg fitter dan haar wijlen mama. Alsof die hele familie is opgegroeid op spinaziesmoothies en ochtendruns in de Alpen.
Gelukkig ben ik zelf ook een heel stuk opgeknapt. Anderhalf jaar geleden kreeg ik die geweldige nieuwe knie. Een of andere staallegering die de boel nu stabiel laat scharnieren. Geen tape meer nodig, maar die brace moet nog wel. Voor de stabiliteit en mijn eigen veiligheidsgevoel. Die ziekte van Bechterew bleek er geen te zijn; mijn rug en gewrichten zijn door die ene knie-operatie stúkken beter geworden, hoera! En die hondsdolheid heb ik ook niet gekregen. Dóór, dus! En het mooiste van alles is dat ik dus weer kan tennissen! Wie had dat ooit gedacht. Heel eerlijk: ik niet.
En terwijl ik daar op de baan sta, denk ik aan mijn eigen moedertje. Die is nu 81. Net als mijn tennis-icoon van toen. En ook mijn mam heeft kanker. En een kapotte schouder. En ouderdom. Geen potje golf meer. Geen ‘even doorlopen, dan haal je de trein nog’. Zelfs voor wat onkruid trekken in haar geliefde tuin heeft ze vaak gewoon geen puf meer. Ze wil nog van alles, maar haar lijf wil niet meer mee. En dat maakt me verdrietig. Want ouder – en echt oud – worden is eigenlijk alleen maar leuk als je lijf een beetje meewerkt.
Toch houd ik vast aan dat oude voornemen van toen; tennissen tot m’n 81e. Misschien zelfs langer, al zal ik tegen die tijd dan wel een vervanging van mijn huidige kunstknie nodig hebben. En zolang ik in staat ben om een bal over het net te meppen (zonder tussenkomst van ambulance of defibrillator), blijf ik het doen.
Voor mezelf.
Voor de lol die ik erin heb.
Voor dat mooie, fitte mensje dat me toen zo soepeltjes omver speelde.
Voor mijn mams, in de hoop dat ze toch ook nog weer meer energie gaat krijgen.
En voor alles wat me nu, op mijn bijna 54e, toch nog net even wél lukt. In plaats van niet.
Want léven, dat doen we. Volop. Door tot het gaatje. Tot het niet meer gaat.

bron: eigen foto (LB)






