Uit nieuwsgierigheid loop ik de onlangs geopende vintage winkel in ons dorp binnen. Het kleine winkelpand met aangrenzende woning is op een hoek gevestigd. De deur staat uitnodigend open. Binnen oogt het rommelig en donker.
Een jonge, vermoedelijk bewust slonzig geklede vrouw struint door alle rekken, op zoek naar – zoals ze zelf de oude kleren omschrijft – leuke nieuwe items. Haar vriend, die zichtbaar al een stuk ouder is, ziet er verzorgd uit en weet zichzelf te presenteren als een bijzonder aantrekkelijk item. Zorgvuldig pakt hij ieder gekozen kledingstuk van haar aan om het netjes apart te leggen.
Op de toonbank ligt inmiddels een enorme stapel verzamelde kleding en er staan ook alvast een paar afgetrapte boots klaar om straks afgerekend te worden. Gezien de forse prijskaartjes trek ik de conclusie dat het stel hier niet uit geldgebrek aan het winkelen is geslagen.

bron: Creatie van ChatGPT (AI in opdracht)
Ze gebaart naar een paar rekken, waarin alle andere afgedankte karakterstukken smeken om wat extra laatste aandacht.
“Nee hoor, ik ben niet zo speciaal,” wimpel ik meteen lachend af, “ik wilde hier alleen maar even rondkijken.”
Slechts zeer zelden koop ik vintage kleding. Niet uit snobisme of omdat tweedehands kleding volgens wetenschappers ineens een bron van infectieziekten blijkt te zijn. Maar misschien komt het wel doordat ik tweedehands kleding nog steeds blijf associëren met het chronische geldgebrek en de bittere armoede uit mijn jeugd. Omdat mijn ouders vroeger weinig te besteden hadden, moest ik als kind noodgedwongen tweedehands kleding dragen. Regelmatig kreeg ik alle afgedankte kleding van mijn oudere nicht in keurig dichtgebonden vuilniszakken aangeboden. Mijn nicht was niet alleen iets kleiner, maar ook forser dan ik.
“Het is veel te groot,” constateerde ik dan hoopvol tijdens het passen, wanneer ik weer eens verzoop in een veel te ruim en gedateerd kledingstuk.
“Geen probleem,” zei mijn moeder dan, “je groeit er vanzelf wel in. En anders kan ik het altijd nog voor je vermaken.”
Soms werd er een rand stof onder mijn broekspijpen gezet, wanneer deze net iets te kort bleken te zijn. Niet up- maar downcyclen, zou je kunnen zeggen.
Omdat mijn nichtje haar kleding pas aan het einde van ieder seizoen weggaf, liep mijn garderobe altijd één of zelfsmeerdere seizoenen achter. Zo bestond mijn wintercollectie vooral uit zomerjurkjes en nog een paar niemendalletjes, een badpak en een paar felgekleurde teenslippers. En mijn zomerse garderobe bestond uit broeierige truien, donkerbruine tweed overgooiers, kunstschaatsen en een pluizige muts. Ik herinner me nog dat ik voor kerstavond een verrassend leuk Halloweenpak uit de volgepropte vuilniszak viste.
De creativiteit waarmee mijn moeder de afdankertjes naar hartelust wist te combineren, resulteerde in verbluffende creaties. Moeiteloos combineerde ze een korte broek met een paar hoge winterlaarzen en werd een badpak – heel handig – hergebruikt als gymnastiekpakje. Een dunne zomerbroek werd lekker warm gevoerd door simpelweg mijn pyamabroek eronder aan te trekken.
Op school verdedigde ik moedig mijn geleende identiteit en onconventionele kledingstijl als draagbare kunst. Dapper trotseerde ik alle meewarige blikken en het geproest van mijn klasgenoten zodra mijn pyamabroek of mijn badpak in de gezamenlijke kleedkamer van het gymlokaal zichtbaar werd.
“Hoe vind je dit staan?”
Inmiddels heeft de jonge vrouw een verwassen en vormloze trui aangetrokken.
De uitgelubberde col hangt als een gevallen steek om haar hals.
“Staat je erg leuk, lieffie,” complimenteert haar vriend.
“En dat jurkje? Zat ie toch niet een beetje te ruim?” aarzelt ze nog even voordat er een aanzienlijk bedrag kan worden afgerekend.
Ik draai me om en kan het niet laten om mijn ervaring te delen: “Ach, de meeste vrouwen worden vanzelf iets dikker naarmate de jaren verstrijken, dus je groeit er uiteindelijk vanzelf wel in,” stel ik haar met mijn moeders gevleugelde uitspraak gerust. “Lekker duurzaam, toch?”






