Iedereen kent wel die types in zijn of haar directe omgeving. Rising star. Young professional. Management trainee. Vrij vertaald: van die strebers met ambitie en genoeg tijd om zich een slag in de rondte te werken. Vastberaden om het te gaan maken, wat dat dan ook mocht betekenen. Ik ken ze maar al te goed, want zo’n type was ik.
Als vervroegd toegelaten leerling had ik een jaar voorsprong op de rest. Dat wilde ik maximaal benutten. Ik koos voor een avondstudie in combinatie met een dubbele bijbaan. Het ideaalbeeld: een jonge meid met jarenlange werkervaring op haar cv is garantie voor succes. Dacht ik. Door hard te werken zou ik vast worden opgemerkt en zouden magische deuren opengaan. Deuren die voor anderen gesloten bleven. Was ik in die tijd maar bij de Efteling begonnen, dan was er tenminste nog íéts magisch aan dat idee geweest.
Juist doordat ik me te pletter werkte, kreeg ik steeds meer werk toegeschoven. En het lukte nog ook! Maar een officieel traineeship bleef uit. Een snelle promotie of een hogere salarisschaal vanzelfsprekend ook. Om over die managementjob nog maar te zwijgen, alle in korte tijd behaalde managementdiploma’s ten spijt. Een achttienjarige boven een groep ‘meubilair’ zetten, dat vond niemand een goed idee. Dat was echt alleen bedoeld voor een ruwe diamant die enkel her en der wat bijgeslepen moet worden. Blijkbaar was ik een lelijke kiezel. Zo eentje waar je op den duur een klapband van krijgt. Intussen deed ik wel het werk van drie man. Voor een schamele stagevergoeding.
Ik was weliswaar een echte teamplayer en had de grootste lol met collega’s. Ik deed alleen niet aan hielenlikkerij of slijmen bij de juiste personen. Wist niet hoe de hazen liepen en miste helaas de nodige tact. De businessblunders die daaruit voortvloeiden, hebben mij de kop gekost. Zeker weten.
Zo moest ik ooit als marketeer presentatieklappers voor de salesafdeling maken. Na een week regelen, afstemmen en produceren met vormgeving, communicatie en de prinstraat, stonden er stapels bladen klaar. Zelf was ik uren- en urenlang bezig met het insteken ervan in (toen nog) hippe multomappen. Bijna klaar. Totdat één belletje van de uitgever al mijn werk tenietdeed. Voortschrijdend inzicht noemde hij het. Het moest helemaal anders, maar de gestelde deadline bleef gewoon staan.
Briesend stormde ik naar het bureau van mijn leidinggevende. Zonder blad voor de mond deelde ik haar mee dat de lul in kwestie dit geestdodende werk dan maar zelf opnieuw moest gaan doen. Waarom gebaarde ze nu zo onrustig? Viel het zonlicht verkeerd op haar gezicht of verschoot ze van kleur?
De uitgever bleek al een tijdje achter mij te staan en had mijn klaagzang gehoord. Ik ging door de grond, maar probeerde me te herstellen door te zeggen: ‘Nu je het hebt gehoord, hoef ik het in ieder geval niet meer te herhalen.’ Dat ik mijn baan behield, was een geluk. Maar ik kreeg die week in ieder geval voldoende extra k-klussen op mijn bord, die ervoor zorgden dat ik dit niet nog eens deed.
Ook het hebben van een prettig gestoorde collega werkte niet mee. Iedereen was dol op hem, want als hij op kantoor was, ging je met buikpijn van het lachen naar huis. Dat heeft soms ook een keerzijde. Probeer dan maar eens een serieus telefoongesprek te voeren met een van je grootste en lastigste adverteerders, terwijl die collega op je bureau springt, zijn nieuwe tien-tenen-sokken laat zien en daar een soort cabaretstuk van maakt. Ik hield het niet meer van het lachen. De klant kon de humor er echter niet van inzien, voelde zich niet serieus genomen en plaatste zijn advertentie in een ander dagblad.
Of die keer dat ik ’s ochtends vroeg beursborden bij een uitgestorven vormgeefafdeling moest ophalen. De jongens hadden ze lief genoeg klaargezet en in een immens grote doos verpakt. Inclusief levensgrote postzegel die ze hadden ontworpen van ons laatste middeleeuwse bedrijfsfeest, met mijn hoofd erop. Noem het kantoorhumor. De doos was zo groot dat die amper in de lift paste en ik door mijn onhandigheid bijna het oog van de hoogste directeur uitstak, die al in de lift stond en onderweg was naar zijn fluffy hoogpolige tapijt op de allerhoogste verdieping. Zijn blik ging van de postzegel naar mijn gezicht. Ik hoefde geen waarzegger te zijn om te voorspellen dat er voor mij geen loonsverhoging meer in zat dit jaar. Sterker nog: mijn hele unit werd ‘uitverhuisd’ naar het bijgebouw, waar alle titels heen gingen die nog datzelfde jaar opgeheven zouden worden. Toeval?
Had ik al gezegd dat ik een ziek gevoel voor humor heb? De grootste ramp was het forwarden van een in mijn ogen hilarisch filmpje, in de tijd dat het nog ondenkbaar was om privémails via je werkaccount te versturen. Dat deed je gewoon niet. Ook ik niet. Tot dat ene filmpje. Ik kon echt niet anders dan het doorsturen. De ontvanger moest mijn überpreutse klasgenoot zijn, die geen humor had, nog nooit een vriend had gehad en het woord ‘piemel’ nog niet in spiegelschrift durfde te schrijven. Voor mij dus de ideale ontvanger van een filmpje met een zingende penis.
Ik drukte op forward, tikte de eerste drie letters van haar voornaam in en klikte op ‘send’. De mail was verzonden, maar Outlook stond zo ingesteld dat de auto-aanvulling eerst gericht was op interne e-mailadressen die hiermee overeenkwamen. Die dag ontvingen alle MARketinganalisten in het pand de zingende penis. In plaats van alleen Marleen. Met mij als afzender.
Als ik kijk waar ik nu sta, mag ik niet klagen. De Quote 500 zal ik in dit leven niet meer aantikken, maar waarom zou ik, als ik kan terugkijken op zoveel momenten van onschatbare waarde? En businessblunders? Die maak ik nog steeds. Want op dát gebied ben ik inmiddels een ware pro.

Bron: AI (in opdracht van L.C.)






