
bron: eigen foto (TCB)
“Jammer genoeg moet ik onze afspraak afzeggen,” meld ik mijn broer. “Het gaat me echt niet lukken om langs te komen bij jou in Frankrijk.”
Mijn broer heeft onlangs een charmante bouwval op het Franse platteland gekocht, die hij tijdens zijn vakanties hoopt te verbouwen tot een iets minder charmant vakantiehuis.
“Maar je had beloofd om tijdens de kerstvakantie mee te helpen klussen?” reageert hij teleurgesteld.
“Weet ik. Maar ik heb een frozen shoulder en verga van de pijn. Dus klussen wordt ‘m helaas niet.”
“Ach, wat rot voor je… Maar betekent dat dan ook dat je tijdens de kerstdagen moederziel alleen thuis gaat zitten?”
Ik knik langzaam, maar dat ziet mijn broer natuurlijk niet door de telefoon. Dochter gaat samen met haar vriend op wintersportvakantie en zoon is uitgenodigd door zijn vader. “Ja, ik ben alleen,” bevestig ik.
“Joh, kom toch gewoon naar Frankrijk?” dringt mijn broer meteen aan. “Al is het alleen maar voor de gezelligheid!”
“Bovendien hebben we plek genoeg. Ik logeer bij Dick, zolang mijn huis nog onbewoonbaar is. Da’s de makelaar van wie ik mijn Franse stulpje heb gekocht. Aardige vent; ook een Nederlander. Hij is met zijn gezin en zijn hoogbejaarde moeder een paar jaar geleden naar Frankrijk verhuisd. Ik heb het appartement naast zijn huis gehuurd. Een boerenschuur, die hij tot een gîte, zo’n gemeubileerd vakantiehuisje, heeft verbouwd. Oh, en mama gaat ook mee. Die heeft beloofd om een uitgebreid kerstdiner op tafel te zetten.”
“Maar, maar, maar… mijn autoverwarming is ook al stuk,” protesteer ik nog even. Maar ik besluit toch te gaan. Alleen zitten is ook niks.
Met een frozen shoulder, waarvan de kou zich tijdens de autorit langzaam verspreidt over de rest van mijn lichaam, rijd ik over nauwelijks begaanbare, soms zelfs onverharde wegen naar een uitgestorven Frans gehucht met slechts honderdtwintig inwoners.

bron: eigen foto (TCB)
Af en toe heeft mijn navigatie geen bereik. Op goed geluk slinger ik door verlaten dorpen, rijd ik langs gedeeltelijk ingestorte boerderijen en word ik ingesloten door oneindig veel landbouwgrond. Al snel valt de schemering in. Op het nippertje weet ik een smaakvol hoofdgerecht voor de feestdagen te ontwijken als een kudde wilde zwijnen onverwachts de weg oversteekt.
Wanneer ik uiteindelijk in het aardedonker verkleumd op de plek van bestemming arriveer, word ik buiten al hartelijk verwelkomd door makelaar Dick en zijn vrouw. De daaropvolgende dagen moet er eerst flink worden geklust. Met een vette knipoog naar een traditionele kerstviering, bestaan onze voorbereidingen voor het culinaire kerstdiner uit het nog even haastig plaatsen van een complete keuken, het aftappen van de waterleiding, het aanleggen van een noodstroomvoorziening en het ontdooien van een paar door mijn moeder meegebrachte diepvriespizza’s. Maar het feest van het licht wordt pas écht ingeluid wanneer mijn broer na een schietgebedje de hoofdschakelaar omzet en de eerste lamp spontaan begint te branden.
Vanwege de toenemende kou besluiten we kerstavond in de gîte te vieren, waar de kerstboom weliswaar ontbreekt, maar waar een torenhoge stapel gekloofd hout ons in ieder geval verzekert van voldoende warmte.

bron: eigen foto (TCB)
Terwijl de robuuste houtkachel ronkt, neemt ondertussen de bedrijvigheid rondom het huis toe. Meerdere gasten arriveren.
“Ik vrees dat mijn vrouw en ik vannacht op onze bedbank zullen moeten slapen,” lacht Dick, terwijl hij even bij ons komt informeren of de houtvoorraad al moet worden aangevuld.
“Want ons huis is volgestouwd met gasten, die we voor kerst hebben uitgenodigd.”
“Kom hier logeren,” biedt mijn broer lachend. “Ruimte zat.”
“Nee joh, niet nodig. Komt vast wel goed.”
“Waar komen al die mensen eigenlijk vandaan?” vraag ik me ineens verwonderd af.
“Nou, ook al lijkt het hier misschien op het eerste gezicht compleet uitgestorven, toch hebben we in de buurt best al een aardig sociaal netwerk opgebouwd,” verklaart Dick de aanloop van familieleden, vrienden en kennissen, die we onafgebroken met grote dampende schalen voorbij zien lopen. Sommigen slepen zelfs logeermatrassen en slaapzakken met zich mee.
“We gaan trouwens straks met z’n allen nog even ergens een wijntje drinken. Alvast proosten op het nieuwe jaar. Hebben jullie soms zin om met ons mee te gaan?” wordt er spontaan voorgesteld.
“Eh, een kroeg? Hier?!” verbaas ik me hardop. “In deze verlaten omgeving?”
“Nou ja, kroeg is teveel gezegd, maar verderop woont een Nederlands stel met een wijnproeverij.”
“Ik weet niet of het zo gepast is om zomaar bij vreemde mensen aan te kloppen, nota bene uitgerekend op kerstavond?” aarzel ik.
“Ach, welnee,“ wuift Dick weg. “Da’s hier heel normaal.”
Later op de avond worden we door hen opgehaald. Gezamenlijk slenteren we naar de wijnkelder van de (bijna)buren. De stemming is uitbundig. Onderweg wordt er onderling veel gepraat, gelachen en telefoonnummers uitgewisseld om elkaar met diverse klussen te kunnen helpen.
Buiten is de temperatuur inmiddels al ver onder nul gedaald.
Ik ril even, maar toch lijkt het al gauw een stuk minder koud.
De gevoelstemperatuur gaat vanzelf omhoog als je omringd wordt door warmhartige mensen.






