
bron: Creatie van ChatGPT (AI in opdracht)
Er zijn van die periodes waarin het leven ineens het masker afzet. En dan zie je pas wat er écht toe doet. Doorgaans doen we alsof we eeuwig de tijd hebben. We maken plannen voor volgend jaar. Voor als de kinderen klaar zijn met hun studie. Voor als het werk minder stressig is. Voor als alles wat rustiger wordt. Voor… nou ja, later.
We plannen. En dromen vooral van al die plannen. Totdat iemand in je directe omgeving zomaar ineens wegvalt. Een naaste. Veel te jong, ook nog. Dat is het moment waarop je met de neus op de betrekkelijkheid van alles gedrukt wordt. Want dan blijkt dat “later” helemaal geen afspraak is die je met het leven kunt maken. Het is hooguit een optimistische aanname dat er een morgen zal zijn. En een overmorgen. Een later dat totaal niet vanzelfsprekend is.
De dood van iemand die je je leven lang al kende. Mederouw en tranen. Een moeder wier hart ineens niet meer vanzelfsprekend zijn werk doet en die moet leren leven met ‘slechte’ en ‘slechtere’ dagen. Tot het niet meer hoeft. Kinderen die worstelen met hun toekomst. Wat heeft het allemaal nog voor zin in deze wereld? En ondertussen kijk je naar het nieuws en vraag je je af of de wereld collectief besloten heeft om alle verstand en goed fatsoen overboord te gooien. Elkaar de kop inhakken levert blijkbaar meer op.
En het is vreemd hoe al die dingen samenvloeien tot één gevoel. Niet alleen een gevoel van verdriet, verlies of angst. Eerder een soort onrust die zich overal tussen wurmt. Alsof je voortdurend beseft dat alles ongelooflijk kwetsbaar is. Iedereen die je liefhebt. Jijzelf ook.
Dat besef heb ik nu. En het doet iets raars met me. Aan de ene kant wil ik het leven ineens steviger vastgrijpen. Meer reizen. Meer genieten. Minder uitstellen. Vaker “ja” zeggen. Mensen bellen en mailen. Op een zwoele zomeravond op het terras een extra glas wijn drinken. De tuin in; handen in de aarde. Tennissen zolang mijn voeten en knieën het nog toelaten. De zon nét iets langer op mijn gezicht voelen.
Aan de andere kant ontdek ik dat ik dat lang niet allemaal kan. Vanwege lichamelijke beperkingen, planningsmoeilijkheden, tijdgebrek. Ik wil zó veel en realiseer bijna niets van dat alles.
Het geld is er wel. De tijd in theorie ook. Maar het leven blijkt zich niets aan te trekken van theorie. Er zijn verplichtingen. Er is liefde, die op momenten ineens onmogelijk en zonder toekomst lijkt. Er zijn ouders die soms zorg nodig hebben, maar die ik vooral zo vaak mogelijk wil zien, nu het nog kan. Mijn volwassen kinderen die ik niets meer uit handen kan nemen; ze moeten nu zelf leren dragen. Mijn lichaam dat nog steeds niet meewerkt. En een agenda die zich niets aantrekt van existentiële inzichten. Dat maakt me misschien nog wel het meest moedeloos. Over twintig jaar ben ik 75. En dan? Wat kan ik dan nog? Bén ik er dan nog?
Ik zie scherper dan ooit hoe kostbaar het leven is, maar juist daardoor voel ik des te sterker hoeveel ervan inmiddels buiten mijn bereik ligt. Misschien is dát het ware volwassen zijn. Niet dat je leert dat het leven eindig is. Dat wist je als kind – al dan niet onderbewust – ook al. Maar dat je ontdekt dat ‘eindigheid’ geen filosofisch begrip is. Het heeft gezichten. Namen. En zit vol telefoontjes die je liever niet krijgt.
Toch zit er, hoe raar ook, iets troostends in al die pijn. Want het feit dát het zo’n pijn doet, betekent dat er iets is, wat de moeite waard is om pijn voor te hebben. Mensen om van te houden. Mijn mam, die er gewoon nog is en ook nog steeds veel goede dagen met mijn papa mag beleven. Kinderen om me zorgen over te maken. Mooie herinneringen aan mensen die er niet meer zijn. Een tuin die straks, ondanks mogelijke verwaarlozing, toch weer opbloeit. Een gewone dinsdag waarop alles ineens tóch weer even goed voelt.
Misschien is “alles uit het leven halen” een compleet onmogelijke opdracht. Alsof geluk een checklist is die vóór je dood afgevinkt moet zijn. Misschien is het genoeg om het leven niet steeds voorbij te laten razen, terwijl ik blijf wachten op een betere versie ervan. Niet elke dag hoeft groots te zijn. Soms is een kop koffie in de ochtendzon op een door mijn pa gemaakt bankje al een kleine overwinning op de eindigheid.
Want uiteindelijk is tijd niet iets wat we bezitten.
Tijd krijgt een mens enkel even te leen.







Mooi brezegirlie!!