Als 9-jarige had ik nog nauwelijks iets van de wereld gezien. Omdat we in een drukke straat woonden waar het verkeer voorbij raasde, mocht ik thuis alleen voor de deur op de stoep spelen. Daar moest verandering in komen, vond mijn vader. Daarom kocht hij een tweedehands caravan, die hij op een camping ergens in Zeeland neer wilde zetten. Voortaan zouden we daar alle weekenden doorbrengen.
Maar eerst moest de caravan worden opgeknapt. Tegen een bescheiden vergoeding huurde mijn vader tijdelijk een paar vierkante meter op het erf van een Zeeuwse boer om onze Tabbert daar grondig te kunnen renoveren.
Boer Biet, zoals mijn stadse vader deze boer steevast noemde, enkel en alleen omdat hij naast zijn veehouderij ook maïs verbouwde, had twee dochters, die ongeveer dezelfde leeftijd hadden als ik.
Voorlopig zouden we ieder weekend in onze caravan logeren, die op het boerenerf stond geparkeerd.
Wat was het daar heerlijk!
De zonnige en weidse omgeving op het platteland stond in schril contrast met onze naargeestige, veel te kleine voor-tussen-achterwoning in een Rotterdamse achterstandswijk. Ons benauwde huis lag bekneld tussen twee smalle trappenhuizen van slecht geïsoleerde bovenwoningen, waar de ruzies tussen mijn ouders ‘s avonds nog lang nagalmden. Het erf van boer Biet daarentegen voelde voor mij als een oase van ruimte, rust en vrijheid. Het enige geluid dat daar klonk, was het geloei van de koeien.
Mijn vader, een ouderwetse meubelmaker, die de kneepjes van het vak op de Timmervakschool had geleerd, besloot na een grondige inspectie van onze caravan om eerst de verrotte vloerdelen eruit te slopen en deze eigenhandig te vervangen door robuuste eiken delen.
“Let maar ‘ns op, dat wordt straks een écht staaltje vakwerk,” prees hij zichzelf.
Toen het grootste gedeelte van de originele vloer was verwijderd, staarde ik verrukt naar de zichtbaar geworden kleine speelweide in onze caravan, die ieder daaropvolgend weekend net weer iets hoger bleek te zijn gegroeid.
“Misschien moeten we dat gras ‘ns maaien, pa?” had ik op een dag geopperd toen ik op de rand van mijn caravanbed zat en mijn voeten moest optrekken.
“Probeer je daarmee te zeggen, dat de nieuwe vloer niet genoeg opschiet?” klonk het nors.
“Nee hoor, doe vooral lekker langzaam!”
De boerendochters, met wie ik inmiddels een hechte vriendschap had opgebouwd, stonden alweer voor onze caravan klaar om verstoppertje te spelen.
Niet alleen de caravanvloer, maar de hele wereld ging daar voor mij open.
Uitbundig renden we door de uitgestrekte manshoge maïsvelden. Het waren eindeloze doolhoven waarin je heerlijk kon verdwalen. Met volle teugen genoot ik van de zuivere boerenlucht en vergat daardoor het verstikkende klimaat, dat iedere zondagavond bij thuiskomst weer op ons wachtte.
Op het erf timmerde mijn vader ijverig een nieuw, degelijk caravan-interieur. Het viel me op dat hij steeds vaker een deuntje floot. Mijn moeder neuriede dan als vanzelfsprekend mee. Vreemd genoeg viel er nooit een onvertogen woord tussen hen zodra we in Zeeland waren.
Het resultaat van alle inspanningen mocht er zeker wezen: een stevige, aaneengesloten vloer en een perfect passend interieur dat in elkaar was gezet met professionele zwaluwverbindingen. Alles keurig met de hand afgewerkt.
Maar toen het moment eindelijk was aangebroken waarop onze caravan aangekoppeld werd om naar de dichtstbijzijnde camping te worden gebracht, was ik niet de enige die tegensputterde; ook onze oude Ford Taunus trok het niet.
Het vakwerk dat mijn vader had geleverd, waarbij hij veel te zware materialen had gebruikt, had het gewicht van onze caravan verdubbeld. Met geen mogelijkheid was onze loodzware caravan nog te vervoeren.
Gelukkig was de oplossing nabij.
Resoluut haakte Boer Biet onze caravan aan zijn tractor. Hij gaf een dot gas en trok moeiteloos op.
“Prachtig maatwerk, hoor,” complimenteerde mijn vader hem toen hij de caravan perfect op onze toegewezen campingplaats wist te manoeuvreren.
Met een bescheiden, vriendelijk knikje nam de boer afscheid, waarbij hij de klep van zijn pet iets oplichtte.
Sindsdien hebben we hem nooit meer gezien. Onlangs vroeg ik me af of zijn bedrijf nog zou bestaan. Of was het inmiddels door zijn kinderen overgenomen?
Ach, vermoedelijk niet. Juist nu het voortbestaan van de landbouw door de stikstofcrisis ernstig wordt bedreigd, lijkt het me best aannemelijk dat ook zij genoodzaakt zijn geweest hun bedrijf te sluiten en te vertrekken.
Het zou me dan ook niet verbazen als er binnen afzienbare tijd kleine, sombere appartementen zullen verrijzen op de plek waar ik als kind zo graag buiten speelde.

bron: Creatie van ChatGPT (AI in opdracht)






