
Bron: AI (eigen creatie LdK)
‘Ik ben erg benieuwd,’ zei de man, ‘waar je deze keer over gaat schrijven. Ik hoop alleen dat het niet wéér over mij gaat.’
De vrouw keek hem aan.
‘Ik vind, en dat meen ik serieus, dat je nu weer eens over andere dingen moet gaan schrijven. Schrijf over je leven zonder mij. Schrijf weer eens over die gestoomde broccoli en gegrilde zalm van je. Of over die keer dat je de rijst liet aanbranden en het hele huis daarna nog dagenlang, van de nok tot de kelder, naar rook stonk. Schrijf over de leuke gesprekken met je klanten, over de websites die je op dit moment bouwt, over dat boek dat je al zo lang wilt schrijven. Maar ik denk serieus dat onze gesprekken eens moeten ophouden. De lezers zitten daar vast ook niet eeuwig op te wachten. Die kennen ons onderhand wel.’
Ze dacht na. ‘Ik weet niet…’ begon ze aarzelend.
Hij viel haar in de rede. ‘Ik weet het wel. Het is nu al meer dan een jaar geleden dat ik ben weggegaan. Het is goed zo. Ik hoef niet iedere keer weer ten tonele te worden gevoerd. Het is lief dat je het doet, en misschien zelfs mooi, maar voor mij hoef je het niet te doen.’
‘Ik doe het helemaal niet voor jou,’ stoof ze op. ‘Ik doe het voor míj. Het is mijn manier om met jouw overlijden om te gaan. Op deze manier ben je er toch nog altijd een beetje bij.’
‘Ja. Prachtig. En ik zeg je: ga eens over iets anders schrijven.’
De vrouw had geen zin meer om erover door te gaan. Ze stond op, pakte haar handtas en haar mobieltje en trok de voordeur met een klap achter zich dicht.
Zelfs nu hadden ze nog dit soort discussies, dacht ze mismoedig. Ze merkte dat ze heviger fronste dan goed was voor haar voorhoofdsrimpel en dwong zichzelf haar gezicht te ontspannen.
In het stadje was het druk. Volgende week Visserijdagen, dacht ze. Alleen die gedachte maakte haar al vrolijker. Terwijl ze over de Voorstraat liep viel haar, zoals altijd, weer op hoe gezellig het stadje was. Na de dood van haar man had ze zich weleens afgevraagd wat ze met de rest van haar leven moest. Of ze ergens anders opnieuw zou moeten beginnen. Maar telkens kwam ze tot dezelfde conclusie: het leven was eigenlijk nergens zo leuk als in Harlingen.
‘Je had het altijd over Spanje, toch?’ hoorde ze de man opeens. ‘Ons hele huwelijk lang heb je lopen jeremiëren dat je naar Spanje wilde. Wat let je?’
De vrouw gaf geen antwoord en liep de Trekpleister binnen. Ze kocht een paar producten die ze eigenlijk niet nodig had, maar die ze ‘binnenkort best eens nodig zou kunnen hebben’ en daarna zette ze flink de pas erin richting de boot. Het was tijd voor een decaf latte met havermelk, vond ze. En een enorme berg slagroom erbij.
Eenmaal bij de boot, in het zonnetje, dacht ze na over wat de man had gezegd. Ophouden met de columns over hun gesprekken? Hoe zouden de lezers dat vinden? Ze wist dat veel mensen haar stukjes juist lazen vanwege die gesprekken. En waar moest ze dan over schrijven? Natuurlijk, ze kon terug naar haar dagboek. Zoals ze dat jarenlang had gedaan. In gedachten begon ze alvast.
Lief dagboek,
Vandaag zat ik bij de boot. Ik nam, zoals altijd, een decaf latte met havermelk en apart, op een schoteltje, een enorme berg slagroom. Naast me zaten twee vrouwen te praten. ‘Ik dacht dus oprecht dat ik mijn fietssleutel kwijt was,’ zei de ene. ‘Mark en ik samen die fiets helemaal naar huis dragen. Een elektrische fiets hè, dus hartstikke zwaar. Dat hele pokkeneind. Enfin, we komen thuis, Mark zet dat ding neer, rijdt hem een stukje de gang in en wat blijkt? Het sleuteltje zat er gewoon nog in. God, wat heeft die man staan vloeken.’
‘Goed zo,’ zei de man. ‘Je bent op de goede weg.’
De vrouw glimlachte. Ze knikte, nam een grote hap van haar slagroom en keek uit over het water.
Ze had nog genoeg te schrijven.
— Ook verschenen op De Rebelse Huisvrouw —







Geef een reactie