
Bron: AI (eigen creatie LdK)
Elke nacht droomde ze. Ze had zulke gruwelijke dromen dat ze zich ’s ochtends bij het wakker worden regelmatig afvroeg: ‘zou het niet eens tijd worden om een bezoekje te brengen aan een psychiater? Misschien moet ik hier toch eens over praten, want dit is wel heel bizar.’
‘Hoe heb je geslapen?’ vroeg haar man als hij een kopje thee bij haar op bed bracht. Dat deed hij elke ochtend, jaar in jaar uit, zelfs als ze de avond daarvoor ruzie hadden gehad om iets onbenulligs.
‘Lekker,’ zei ze dan. ‘Op zich heb ik wel lekker geslapen, maar ik heb zo bizar gedroomd.’
Ze vertelde dan haar droom van de afgelopen nacht. Dat ze droomde dat ze ondersteboven in een waterput geduwd werd. ‘Mijn handen waren op mijn rug vastgebonden en mijn voeten waren bij elkaar gebonden en ik werd neergelaten in zo’n ouderwetse waterput. Er stonden allemaal mensen te kijken en ik wist dat ik zou verzuipen. Het was vreselijk.’
Of ze vertelde over die droom dat ze een auto-ongeluk kreeg. Haar auto was aan het spinnen op de weg, hard, harder, steeds harder totdat ze een wit licht zag en wist: ‘Nu is het voorbij. Straks komt de klap en dan is het over.’ Ze sperde haar ogen wijd open om in het donker de digitale cijfers van haar vertrouwde wekkerradio op het nachtkastje te ontwaren. Geen auto-ongeluk. Geen klap. Ze leefde nog.
‘Ik denk wel eens’, zei ze tegen haar man, ‘dat mijn dromen mijn dood worden, weet je dat? Dat ik zo iets vreselijks mee zal maken in mijn slaap, dat ik spontaan een hartstilstand krijg. “Wat een prachtige dood heeft ze gekregen,” zullen de mensen dan zeggen.’ Of: “Ik teken ervoor om zo in mijn slaap te overlijden,” maar niemand weet wat voor gruwelen ik daarvoor doorstaan heb.’
Ze huiverde en keek somber, maar haar man glimlachte. ‘Drink gauw je thee op’, zei hij dan opgewekt. ‘Het is prachtig weer en we gaan er een leuke dag van maken. Zal ik de gordijnen alvast opentrekken?’
‘Alsjeblieft niet,’ schrok ze. Ze wilde op haar gemak wakker worden en had geen enkele behoefte om haar slaperige gezicht in het volle daglicht te etaleren.
‘Rooibosthee helpt’, zei vriendin Mickey. ‘Daar word je rustig van. Jij bent veel te hyper en je hebt ook nog eens last van je hormonen. Sommige vrouwen in de overgang kunnen psychoses krijgen, wist je dat? Volgens mij ben jij daar wel vatbaar voor.’
Ze had haar vriendin met hoog opgetrokken wenkbrauwen aangekeken. ‘Ik ben zo stabiel als maar kan,’ maar diep van binnen was ze daar niet zo zeker meer van. Als dat zo was, waarom zag ze tegenwoordig dan opeens tegen dat autorijden op? Ja, dat ritje naar de supermarkt was geen enkel probleem, maar de ring Amsterdam? De A10, die ze vroeger fluitend opreed, was nu een pure kwelling voor haar.
‘Je wordt misschien wat ouder,’ zei haar man. ‘Je reactievermogen wordt misschien wat langzamer en je vertrouwt jezelf niet zo. Zou dat het kunnen zijn?’
Ze haalde haar schouders op.
Die nacht droomde ze dat Jimi Hendrix uit haar kledingkast stapte. Hij zat onder het stof. Aan haar voeteneind stond hij stil en keek hoofdschuddend op haar neer.
‘Misschien word ik wel gek?’ zei ze tegen vriendin Mickey, maar die lachte. ‘Schat, ik ken je vanaf je achtste. Je bent niet gek. Je bent abnormaal. Dat hoort bij jou. Maak je geen zorgen, er is niets nieuws onder de zon.’
‘Ik wil niet meer slapen,’ dacht ze nadat ze op een nacht weer gillend wakker geworden was. Ze had zo gruwelijk gedroomd, het was zo verschrikkelijk: dit wou ze nooit meer meemaken. Ze had gedroomd dat ze met een machineweer door de gangpaden van een vliegtuig liep en alles en iedereen omver maaide. Zij, de links-socialistische, politiek altijd even correcte, zachtaardige en vredelievende vrouw – ze droomde van machinegeweren en bloedbaden. Het was TE erg.
‘Misschien moet ik aan de slaaptabletten,’ vroeg ze aan haar dokter. Hij keek haar fronsend aan. ‘Je slaapt toch goed?’
‘Ja, dat is zo,’ antwoordde ze. ‘Ik slaap heerlijk. Maar gaandeweg begin ik te dromen en dat is vreselijk.’
Haar huisarts haalde zijn schouders op. ‘Het gaat vanzelf over. Waarschijnlijk gewoon een beetje stress. Ik zou zeggen: ga eens op yoga. Ik denk dat dat bij jou geen kwaad kan.’
‘Morgen ga ik op yoga,’ dacht ze toen ze naar buiten liep. ‘Misschien heeft de dokter gelijk en ben ik wat gestrest. Het kan in elk geval geen kwaad, dat yogagedoe.’ Ze voelde zich opgewekt bij de gedachte. ‘Ik ga er iets aan doen, aan die nachtmerries. Het is te zot voor woorden dat ik wakker lig van het feit dat ik zulke nachtmerries heb.’
Die nacht ging ze opgewekt naar bed. Ze had twee flinke koppen rooibosthee gedronken en voelde zich heerlijk ontspannen. Al gauw sliep ze. De droom waar ze zachtjes in glipte, was lang niet zo gewelddadig en gruwelijk als de dromen die ze meestal had. Er kwamen geen machinegeweren aan te pas. Ze zat niet in een spinnende auto te wachten op de klap, er stapten geen lijken uit de kast en ze werd niet in een waterput geduwd. Integendeel. Ze droomde van boodschappen doen en ze genoot. Het was een prachtige lentedag, de vogeltjes floten dat het een lieve lust was en de zon scheen uitbundig. De auto die eraan kwam, zag ze te laat. Ze had niet eens tijd om te gillen.
‘Hartstilstand’ zei de dokter. ‘Het is triest maar het kan gebeuren, ook met jonge mensen.’
‘Het is verschrikkelijk, maar ze heeft tenminste niet geleden,’ zei haar omgeving.
Haar bedroefde man glimlachte alleen maar. Het was een wrange, bijna cynische glimlach.
— Ook verschenen op De Rebelse Huisvrouw —






