Voor mijn huis loopt een mierenstraat. Precies daar, waar ik in mijn IKEA-stoel van de avondzon geniet.
Ze volgen een geheel zelfgekozen pad. Geen verkeersborden, geen zebrapaden, geen wegwerkzaamheden die tot omlopen dwingen. Gewoon een eindeloze stoet mieren die langs een stoepsteen trekt, over het asfalt verdwijnt en even later weer terugkomt.
Heen en weer.
Heen en weer.
Ik kan daar dus eindeloos naar kijken. Het fascinerende is niet eens dat het er zo véél zijn. Het is de vanzelfsprekendheid waarmee ze bewegen. Geen enkele mier lijkt zich af te vragen of ie nu wel de juiste carrière heeft gekozen. Geen burn-out. Geen existentiële vragen. Geen zoektocht naar zichzelf tijdens een retraite op Bali. Elke mier loopt gewoon. Draagt. Keert terug. En doet daarna weer precies hetzelfde. En morgen ook weer. En overmorgen.
Wij mensen zouden daar onmiddellijk de crisis van krijgen.
“Is dit alles?”
“Leef ik eigenlijk wel mijn eigen authentieke waarheid?”
“Moet ik niet eerst een sabbatical nemen voordat ik dit allemaal ga doen?”
Een mier heeft dat totaal niet. Die heeft een taak. En die ene taak is belangrijk. Niet voor de mier zelf, maar voor het belang van het geheel. Voor de samenleving.
Misschien is dat wel het grootste verschil tussen mier en mens. Wij leven in een tijd waarin iedereen vooral zichzelf moet worden. We moeten groeien, ontwikkelen, excelleren, opvallen, personal branding bedrijven, onze mening ventileren, doen wat goed voelt en vooral uniek zijn. Acht miljard unieke mensen die elkaar voortdurend proberen te overtuigen dat hún waarheid de enige juiste is.
Intussen vliegen de beledigingen sneller over het internet dan de eksters over mijn tuin, zijn oorlogen inmiddels doodnormaal dagelijks nieuws en lijkt de wereld elke ochtend een stukje harder wakker te worden.
Niet daar beneden. Daar loopt een mier. Zo’n mier trekt zich niets aan van verkiezingen, aandelenkoersen, geopolitieke spanningen of de vraag welke miljardair vandaag weer eens heeft bepaald wat de wereld écht nodig heeft. Raketten naar Mars en zo.
Een mier kent geen inflatie, geen ellenlange politieke debatten, geen televisiepanels waarin zes mensen elkaar een uur lang onderbreken zonder daadwerkelijk iets concreets te zeggen.
Een mier weet enkel: daar ligt voedsel. Dat moet naar huis.
Klaar.
Soms denk ik dat intelligentie een van de meest overschatte aspecten van het leven is.
Misschien heeft de natuur allang ontdekt dat een samenleving niet draait op eindeloos discussiëren, maar op mensen die gewoon doen wat gedaan moet worden. Niet omdat iemand gezegd heeft dat ze dat moeten doen. Ook niet omdat ze dan meer likes krijgen. Nee, enkel en alleen omdat het geheel er beter van wordt. Net als bij mieren.
Voor mij zit daar iets troostends in. Niet romantisch of zo, want een mierenleven is gewoon keihard werken. Er sneuvelen er duizenden in zo’n kolonie. En geen enkele van hen krijgt een afscheidsreceptie of een gouden horloge na veertig mierenjaren trouwe dienst. Valt er eentje dood neer of wordt ie platgetrapt, gaat de rest gewoon verder. Niks aan de hand. Doorgaan.
En toch. Misschien zit geluk niet in voortdurend zoeken naar betekenis in alles wat je doet, maar in onderdeel zijn van iets dat groter is dan jezelf. Ik weet het niet. Ik projecteer zeer waarschijnlijk veel te veel menselijke gedachtegangen op een insect dat alleen maar een chemisch spoor volgt. Dat doen wij mensen graag. We verzinnen complete filosofieën rondom wezens die zich daar zelf helemáál niet mee bezighouden.
Maar als ik daar zit, op die stoel voor mijn huis, kijkend naar die eindeloze stoet die elke dag weer onverstoorbaar dé (enig ware) weg vervolgt, bekruipt me soms een vreemde rust. Voor even bestaat de wereld niet uit oorlog, politiek, algoritmes en het eeuwige gevoel dat alles sneller, groter en ingewikkelder moet.
Alleen maar mieren en de rand van een steen. Mieren met een doel. Mocht er ooit een volgend leven bestaan, in welke vorm dan ook, dan hoef ik geen adelaar te zijn. Ook geen dolfijn, leeuw of walvis. Dat klinkt allemaal indrukwekkend, maar ook uitermate vermoeiend.
Geef mij maar een plek in die mierenstraat.
Gewoon achter nummer 8.237 aan sjokken met een of andere kruimel op mijn rug.
Geen gezeik, enkel precies weten waar ik naartoe moet.
Het heeft iets paradoxaals. Eentje als ik, van de diersoort die weet hoe die zichzelf naar de maan moet katapulteren, zit verlangend naar het leven van een insect te kijken. Een beestje dat tevreden lijkt met minder dan een stukje van een dor blaadje. Misschien zegt dat niet eens zoveel over mieren, maar alles over de mens.






