Mijn oudste (4) vraagt na het avondeten: “Papa, Mag je kutkind zeggen?”
Papa: “Hè? Nee! Echt niet. Nooit! Dat is een heel slecht woord. Wie heeft dat gezegd?”
Kind: “Een jongen van de basisschool zei dat ik een kutkind was…”
Papa: “De volgende keer mag je dat meteen tegen de juffrouw zeggen. Dit is een heel erg slecht woord.”
Kind: “Oké papa.”
Het gesprek is vaag. Ik hoor het aan, terwijl ik met een flinke buikpijn op bed lig. Gelijk ben ik alert. En ook boos. Wat een vervelend kind moet dat zijn… In mijn hoofd noem ik hem al een mormel, want wie zegt zoiets nou tegen mijn lieve mannetje? Als er iemand géén kutkind is, dan is het wel onze K. Wil altijd voor anderen zorgen, altijd willen helpen waar hij maar kan. Een compliment laat hem stralen en alleen maar nóg harder werken…
Ik fantaseer een scenario bij elkaar, waarbij ik onze K. verdedig tegenover dat ettertje. We komen ruig aanrijden op het schoolplein met een dikke, rode, ronkende Ferrari. K stapt uit en wordt meteen omringd door allerhande vriendjes. Het jong dat hem uitschold, staat wat vreemd en onwennig toe te kijken. Hij hoort er niet bij. Alleen leuke kinderen mogen de auto aanraken. Onnozele, zelfs ietwat foute gedachten, maar wel vermakelijk. Je moet toch íéts doen, terwijl je weer eens uitgeteld en met giga pijn in je bed ligt.
Waar is mama? Op bed. Mama is ziek.
Het is alweer een paar weken geleden sinds de laatste controle en het gaat niet beter. Sterker nog, de pijn is heviger en mijn lichamelijke klachten erger geworden. Er komt steeds meer bij. Pijnlijke darmen, bloedverlies, een opgezette lies en ook tintelende tenen. Ik probeer uit alle macht mijn demonen te kalmeren. Mijn mantra luidt: ‘Je zult het zien: er is niks aan de hand.’ Maar langzaam en zeker is dat duiveltje toch weer achter mijn oorschelp gekropen. Hij is mijn mantra aan het saboteren. “Er is wél wat aan de hand,” fluistert hij, “deze klachten zijn niet normaal. En het worden er steeds meer! De kanker is terug. Er zit nog een tumor in je lichaam! En jij weet lekker niet waar, whaha!”
Eerst kon ik hem nog goed negeren. Ik sloeg hem gewoon van mijn schouder af. Wegwezen, jij. Maar de klojo blijft terug klimmen. Hij is zo snel. En daar waar ik hem telkens weg blijf slaan, ontstaat er stress. Ik kan hem niet veel langer meer afhouden. Mijn mantra brokkelt af. Vervaagt. Ik begin het vervelende mormel zelfs te geloven. Dit ís een mormel, ja.
De douche is eindelijk warm en ik spring eronder. Niet nadenken. Gewoon de normale dingen van de dag. Afsluiten en lekker fris het bed in. Terwijl ik mijn lichaam inzeep, voel ik ineens iets nieuws. Een verdikking. Een flinke, zelfs. Die was er eerder niet. Vocht? Nee… toch? Shit.
*TRRRRRRRRINNNNNNGGGGGG*
Een luid kabaal. Ik sla mijn handen op mijn oren, maar het indringende geluid houdt niet op. Ik kijk paniekerig in het rond. Hoezo stopt het niet?! Tranen wellen op in mijn ogen. Ik zet de douche uit en probeer tot tien te tellen. Ademen, Nicky. Maar het is te laat. Mijn lichaam trilt. Rustig ademen lukt niet meer. Mijn keel zit dicht. Het geluid gaat oorverdovend hard door. Het rode duiveltje heeft mijn alarmbel bereikt en ramt er vol geweld op. In mijn hoofd gaat hij helemaal los. Alles staat op rood. Rode bellen, rode duivels, rode vlaggen, rode plekken.
In paniek loop ik naar mijn man. “Schat, het is niet goed. Kijk!” roep ik snikkend. Ik wijs naar de plek en zoek bevestiging in de ogen van mijn man. Nee, ik zoek kalmte. Een oplossing. Alsof mijn man ineens een geniale arts is geworden en verstand heeft van alle soorten kanker. Help lieverd! Help mij! Zeg mij dat ik gek ben? Zeg mij dat er niks aan de hand is? Haal dat duiveltje weg? Een onmogelijke taak voor hem.
Het eindigt dan ook met mij snikkend in zijn armen in ons bed. Terwijl de tranen over mijn wangen glijden, probeer ik uit te leggen hoe ontzettend bang ik ben. En wat die angst met mij doet. Mijn man hoort mij aan, troost mij, houdt me stevig tegen zijn sterke, warme lichaam aan en besluit dat we morgen de arts gaan bellen. Samen. Het ís ook niet normaal. We willen antwoorden. Nu. We laten ons niet afwimpelen, we gaan door tot er een afspraak staat voor een extra controle. Minimaal een extra scan.
Als ik een beetje gekalmeerd ben is het uiteindelijk al ver na twaalven. Voorbij bedtijd. Een oxazepam moet me helpen om het duiveltje te verdoven. Genoeg voor een paar uurtjes slaap.
En dan denk ik terug aan het gesprek van K. zijn papa. Langzaam word ik weer die mamabeer. Langzaam steken ook de andere zorgen weer de kop op. Want ja, mijn lieve K. gaat morgen weer naar school. En ik mag hopen dat hij zíjn demonen ook kan verdoven. Dat hij moedig genoeg is om op te staan en weerstand te bieden. Dat hij zich niks aantrekt van zo’n rotjong dat hem uitscheldt voor wat dan ook. Dat K. zijn eigen lieve zelf kan en mag zijn. Dat hij gewoon lekker blijft spelen met de kinderen die wél aardig en leuk zijn.
Negeer het negatieve, mijn lieve kind. Dat moet ik ook.
Negeer dat mormel, die demon. Ik grinnik. De cirkel is weer rond.
Ieder zo zijn eigen duiveltje… Wat een kutkind!

bron: pixabay.com 4803407






